Professionele ontwikkeling door verandering

Het is zover. Ik heb APS verlaten en ben uitgevlogen. Als projectleider ‘Versterken samenwerking Opleiden’ bij pabo De Kempel heb ik dit schooljaar al veel nieuwe indrukken opgedaan en veel nieuwe collega’s leren kennen.

Net als iedereen die nieuw is in een organisatie, ben ik op zoek gegaan naar mijn match met de bestaande cultuur, heb ik me daarover hardop dingen afgevraagd en heb ik ook acties ingezet die misschien wat minder gewaardeerd werden. Het maakt me soms onzeker, maar meestal nieuwsgierig naar hoe ik in deze nieuwe omgeving mijn bijdrage kan leveren.

De verandering van omgeving en de andere eisen die aan me gesteld worden, zetten me aan tot reflectie en ‘experimenten’. Ik herken bij mezelf de fases van betrokkenheid in een verandering: ‘Waar ben ik precies?’; ‘Wat moet ik hier doen?’; ‘Hoe ga ik dat doen?’; ‘Met wie ga ik dit doen?’; ‘Wat kan ik betekenen in de verbetering van deze processen?’. Dat gaat allemaal niet zo mooi lineair als het ooit door Hall & Hord werd opgetekend en later door Rogers werd gefaseerd. Ik vraag me af op welke manier ik dit proces kan gebruiken om mezelf erin te ontwikkelen. Dat betekent stilstaan bij wat ik doe en hoe ik het doe en daarop feedback vragen. Dat is best spannend.

Wat ik me nu afvraag, is hoe ik mijn eigen inductieproces kan matchen met het professioneel leren in het team. We hebben het er veel over als we praten over de inductietijd van leraren. Ikzelf vertel graag verhalen over de manier waarop een lerend team nieuwe mensen in hun midden kan ontvangen als nieuwe kennisbronnen en ze volwaardig kan inzetten voor de gezamenlijke gewenste ontwikkeling. Maar nu moet ik het zelf doen. Met een eigen opdracht en opdrachtgevers die ook mijn leidinggevenden én collega zijn, is het nog even zoeken naar hoe dit werkproces ook een gezamenlijk leerproces kan zijn.

Uit alle theorie helpt me nu het meest die van Louise Stoll. Ik zal het gesprek aangaan en door die ‘learning conversations‘ mezelf verder professionaliseren als projectleider en als aanjager van leerprocessen in het team.

Joah joah…

ja

 

Afgelopen week gaf ik een workshop voor een groep schoolleiders en ib-ers over de professionele cultuur en vooral over het aanspreken en afspreken in de schoolorganisatie. Over de professionele discipline dus. Leuk, zo’n workshop.

Natuurlijk begon ik met de vraag waarom iedereen er was. Je inschrijven voor zo’n bijeenkomst doe je natuurlijk met een idee? Niet helemaal: de bestuurder had de workshop (heel goed bedoeld) verplicht gesteld. Al snel werd duidelijk dat volgzaamheid, loyaliteit en gehoorzaamheid bekende en gewaardeerde eigenschappen waren in deze organisatie. Dat uitte zich zelfs in taal. ‘Wij zeggen: ‘joah, joah’, als we eigenlijk ‘nee’ bedoelen.’

Toen gingen we aan de slag. Langs wat theorietjes en modelletjes over weerstand en betrokkenheid (dramadriehoek, betrokkenheidsmodel, invloedstijlen) kwamen we terecht op manieren om een ander te laten doen wat je wilt. Klassiek is daarbij natuurlijk het werkwijze dat je aan een ‘veranderaar’ de opdracht geeft om de ander iets te laten veranderen (aan kleding, houding of haar). Met wat duwen en trekken en regelrechte chantage deden de deelnemers de ervaring op dat beïnvloeden van een ander pas lekker werkt, als die ander ook wat voelt voor een verandering.

Dat bracht ons op de rol van gevoel en het benoemen van onderlagen in het gesprek. Eén van de deelnemers vond dat wel wat al te theoretisch. ‘Je moet gewoon zeggen wat ze moeten doen. Klaar’. Toen ik hem voorstelde om het gesprek op gevoelsniveau ook eens uit te proberen, was het antwoord duidelijk: ‘Joah, joah’…

 

 

Schoolbestuurders en hun wens

Voor het onderzoeks- en ontwikkelproject “De Bestuurder als Motor voor Leren” houd ik me bezig met de wens van bestuurders om de goede dingen te doen voor hun personeel en de leerlingen. Uit meer dan dertig interviews met professionele bestuurders in het PO komen meer dan veertig interventies naar voren die bestuurders ondernamen om leraren en schoolleiders te faciliteren om te leren. Misschien heb ik nou net ‘het neusje van de zalm’ gesproken (de mensen die ik heb geïnterviewd wilden graag meedoen aan het gesprek en waren door anderen genoemd als iemand die werkt aan de lerende organisatie), maar dan nog kun je volgens mij zeggen dat schoolbestuurders in het primair onderwijs er veel aan doen om hun verantwoordelijkheid voor goed onderwijs waar te maken.

Eén van de verwachtingen van al deze acties bleek uit meerdere interviews: ‘anderen in staat stellen om zelf goede keuzes te maken’. De bestuurders die ik sprak, willen graag dat leraren en schoolleiders zichzelf ontwikkelen door samen te werken met anderen, door zichzelf kritisch onder de loep te durven nemen en door hun werk openlijk te bespreken. Om dat voor elkaar te kunnen krijgen, zoeken ze naar manieren die dat leren in de organisatie helpen bevorderen.

Over de interventies die ze ondernemen en over de mogelijkheden die ze samen bedenken, binnenkort meer. Op 12 september spreek ik een flink aantal van hen opnieuw. Dan maken we de match tussen wens en in te zetten actie. Ik verheug me er nu al op.

REFLECTIE1

Besturen en hun positieve effect op leren

Hier werd ik heel gelukkig van: een recent artikel wat Karen Seashore Louis me stuurde over het positieve effect van bovenschoolse handelen op het leren van leerlingen. Dit motiveert me enorm om ook in Nederland het positieve effect van een lerend klimaat in de schoolorganisatie te kunnen aanwijzen. We willen toch dat kinderen en leraren meer leren? Dan is het organiseren van professionele ruimte de zuurstof van het systeem. Sterker nog: de nadruk leggen op toetsresultaten werkt verstikkend. Luchten, die handel, dus.

Als je het ook wil lezen: Lee & Louis – LEAs and Student Learning.

“This article addresses an issue that has not been well explored in empirical research, namely whether local education agencies (districts) have an impact on student learning. We assumed that local district effects on learning would be largely indirect, mediated by how teachers work together in schools (in professional communities) and the quality of instruction that is provided. Based on the literature, we also assumed that promoting data-driven decision making was an insufficient stimulus for student learning, and we therefore chose to examine another current policy strategy that is being widely adopted by local authorities: the development of networks for learning among schools. Using survey data and structural equation modeling, our results suggest that the development of networks has a positive relationship with instruction and subsequent learning, while district emphasis on learning targets and data use has a negative relationship.”

de Wordle van mijn blog :)

Wordle: netwerken

What Ed Said inspireerde me om een Wordle van mijn blog te maken.
Toch geinig 🙂

Van goed naar geweldig met Samsom en Rutte

Spannend, dat nieuwe regeerakkoord! De onderwijsparagraaf laat zien dat McKinseys ‘great to excellent’ nu echt is aangeslagen:

Onderwijs en wetenschap in Nederland zijn van hoog niveau, maar onze ambitie reikt verder: wij willen tot de top vijf van de wereld gaan horen. De kwaliteit van de man of vrouw voor de klas of in de collegezaal is daarbij van doorslaggevende betekenis. En die kwaliteit staat of valt met opleiding en selectie van leraren en van directeuren en bestuurders die hun medewerkers stimuleren, belonen en zo nodig sanctioneren. Dit zijn de mannen en vrouwen van wie we het moeten hebben: in hen willen we investeren. Zo kan onderwijs het beste uit kinderen en studenten halen. Talent meer uitdagen en achterstanden verkleinen, ook als je geboren bent in een migrantenfamilie, een gezin met een laag inkomen of deelneemt aan het speciaal onderwijs. Het belang dat wij hechten aan goed onderwijs, wordt onderstreept door het feit dat wij onderwijs buiten de bezuinigingen hebben weten te houden en er in deze crisistijd zelfs in investeren. Met het onderwijsveld willen wij tot afspraken komen over verbetering van de kwaliteit van leraren en schoolleiders. Over betere begeleiding van startende docenten en bijscholing van bestaande docenten en schoolleiders. Over professionalisering van het personeelsbeleid met behulp van de Onderwijsinspectie. Over terugdringing van het aantal onbevoegde docenten. Het oordeel van de Onderwijsinspectie over scholen zal zich ook gaan uitstrekken tot de categorieën “goed” en “excellent”. 

Daar kun je van alles van vinden, maar het schept ook ruimte. Om in de laatste fase van ontwikkeling terecht te komen als schoolsysteem, wordt het uitermate belangrijk om niet alleen recht te doen aan professionalisering van de leraar (fase good to great), maar juist samenwerking tussen leraren en scholen te bevorderen. Dat betekent dat scholen en netwerken zelf aan zet zijn om hun ontwikkelvragen te expliciteren, zelf aan de knoppen te draaien om de juiste mensen op de juiste plek te krijgen en daadwerkelijk gebruik te maken van al aanwezige kennis en ervaring in en om de school. Eén van de mooiste manieren om dat te doen (als je het mij vraagt) is door het starten met professionele leergemeenschappen in en tussen scholen en door het (re-)activeren van netwerken van leraren, schoolleiders, bestuurders en andere onderwijsprofessionals. We kunnen het zelf en we kunnen het samen.

Image

Leren in je eigen leergemeenschap

Nu ik weer drie dagen heb gewerkt met Louise Stoll en heel veel onderwijscollega’s in Noord-Holland is het me opnieuw duidelijk geworden: samen leren gaat het best in je eigen leergemeenschap.

Maar wat eigen is, dat is nog wel heel verschillend! Het kan gaan om de eigen bouw, de school, de stichting, het samenwerkingsverband, het dorp of de stad. Hoe groot de schaal ook is waarover we spreken, er is altijd een mogelijkheid om je te verbinden aan de kinderen. “Onze kinderen in …, die de stad niet meer uit zouden moeten om passend onderwijs te krijgen”; “onze kinderen in de school, die samen met die in de andere school extra taalles krijgen”.

Samen met Louise werkte ik aan vormen om verbindingen tussen teamleden in beeld te krijgen en ook te laten ontstaan. Zo’n vijf jaar geleden vertaalden we haar simulatie ‘Networking for Learning’ en sindsdien is er veel veranderd. In die tijd dachten we nog niet dat het in Nederland zo ver zou kunnen komen dat er netwerken van scholen zouden ontstaan met een ‘generiek’ onderwijsdoel. Heel lang hebben wij vastgehouden aan ‘thema-netwerken’ of clubjes van ‘petjes’. Als je iets bent, dan heb je ook een clubje: ib-ers, ict-ers, taalcoördinatoren, techniek, etc. Waar we nu steeds concretere beelden bij hebben is op welke manier we teamleden met elkaar kunnen laten leren en waarover dat dan zou kunnen gaan. Zo ontstaan verbindingen tussen ‘opbrengstgericht werken’, praktijkonderzoek doen in de school, het versterken van de professionele cultuur en het verduurzamen van de lerende onderwijsorganisatie.

Omdat zo alles met alles lijkt samen te hangen, kun je gewoon ‘ergens’ beginnen. Bijvoorbeeld met het werken in lerende teams, of professionele leergemeenschappen. Of juist met het voeren van data-gesprekken in de bouwvergadering. Of met het organiseren van bijeenkomsten voor schoolleiders en ib-ers. Het begin is het halve werk, als je einddoel maar steeds voor ogen houdt: hoe meer mensen zich verbinden aan het netwerk, hoe sterker het wordt. Daarom moet je aan dat proces wel leidinggeven, zonder eraan te trekken. Het is de kunst om af te wachten en te handelen tegelijk. De vraag over ‘wat’ gaan we leren, wordt steeds opgevolgd of voorafgegaan door ‘met wie’ of  ‘namens wie’ gaan we iets leren of ontwikkelen.

Deze wie maakt dat je je verbonden voelt met de opbrengst: je wil je kwaliteiten inzetten voor de kinderen in je groep, maar ook voor je collega’s. Ik heb in de afgelopen dagen zoveel mooie voorbeelden gehoord van betrokken mensen: bestuurders, schoolleiders, ambtenaren, beleidsmedewerkers, leraren. Als het ons lukt om al deze mensen te laten samenwerken met een gedeeld doel voor ogen, komt precies die energie vrij die we nu nodig hebben om met vertrouwen ons onderwijs voor onze kinderen te versterken.